© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Bodetal Maagdenbrug

1836

Het motief

Het Bodetal bij Thale heeft voor een middelgebergte in Duitsland een uniek alpien karakter. Ons standpunt bij de Jungfernbrücke is het toeristische middelpunt en kruispunt ervan. Het Bodetal was destijds een doodlopende weg. Je kon nog een paar stappen tot aan de Bodekessel lopen, maar verder ging het alleen terug of omhoog: naar de Roßtrappe links van de Bode, of aan de andere oever naar het Tanzplatz. Het gebied heette Hirschgrund.

Dit centrale punt in het Bodetal is veranderd. De stenen Jungfernbrücke loopt inmiddels naast de rots, waarop vroeger de houten brug lag. In plaats van een pad loopt er nu een weg naartoe. Rond 1819, toen hier de eerste drankverkoop werd geopend, werd ook de eerste brug gebouwd. Uit de drankverkoop ontstond in 1834 een woonhuis met banketbakkerij. Tot 1855 was dit de enige plek in het Bodetal waar bezoekers de Bode met droge voeten konden oversteken. Pas in 1875 werd de welluidende naam „Königsruh“ bedacht, veertig jaar na het bezoek van de Pruisische kroonprins, toen hij nog helemaal geen koning was. „Kronprinzruh“ zou niet zo’n goed marketingidee zijn geweest.

De vergelijking met het schilderij laat zien hoeveel rotspunten er honderd jaar geleden nog in het Bodetal waren, die inmiddels aan het veiligheidsgevoel van de bezoekers zijn opgeofferd. Hoeveel wildernis hier voor 1800 nog moet zijn geweest, kun je uit oude reisgidsen opmaken. Dat wekt medeleven en spoort aan tot bijzondere aandacht op deze bijzondere plek.

Bodetal Jungfernbrücke von Lessing
©  Peter Hinschläger
Carl Friedrich Lessing

Kunstenaar

naar  1849

ontstaan

Olie op doek

45,5 x 58 cm

Leopold-Hoesch-Museum

Düren, inv. 1947/144

Wandeltip

Het Bodetal bij Thale was eeuwenlang een doodlopende weg. Alleen de moedigsten durfden tot aan de Bodekessel te gaan. Wie van hier naar de Brocken wilde, kon beneden niet verder en moest omhoog, dan naar Wendefurth en vandaar langs de Bode door Rübeland en Schierke. Inmiddels zijn er doorlopende wandelmogelijkheden. Maar de natuur heeft voorrang: sinds 1937 is het Bodetal een natuurreservaat. We blijven op de paden. De noordelijke route van de Harzer-Hexen-Stieg bijvoorbeeld loopt helemaal tot aan de Brocken (53 kilometer, met talrijke gelegenheden om iets te eten of te drinken).

Over de kunstenaar

Carl Friedrich Lessing (1808-1880) ging aan de oever van de Bode zitten om zijn schilderij te maken, met de banketbakkerij achter zich. Het schilderij gaat waarschijnlijk terug op zijn eerste bezoek aan het Bodetal in 1836. De kolkende Bode was die zomer slechts een klein stroompje, maar de rotspieken en granieten wanden van het dal waren indrukwekkend. Lessing was toen een jonge, opkomende docent aan de Kunstacademie van Düsseldorf. Hij was een gepassioneerde jager en als zodanig keek hij ook naar de natuur – om bijzondere momenten te „verjagen“. Tot op hoge leeftijd reisde hij steeds weer naar de Harz – zelfs vanuit zijn latere werkplek aan de kunstacademie in Karlsruhe, waar hij later professor werd. Want de Harz was voor hem een Duits gebergte. Duitse geschiedenis en landschap interesseerden hem. Van de oudheid, de Alpen en het Italiaanse verlangen wilde hij niets weten. Juist deze consequente wending naar het nationale en de verbinding van geschiedenis en landschap vormden de basis van zijn succes en grote populariteit in die tijd. In tegenstelling tot zijn anders vaak theatraal versterkte werken is dit schilderij zonder figuranten – misschien een teken van een vroeg werk?

Bijzonder interessant is dat we een schilderij uit 1836 van zijn leerling Adolf Hoeninghaus kennen, gemaakt vanaf precies dezelfde plek, waardoor we kunnen vergelijken.

Meer dan 350 jaar oud: waarschijnlijk de oudste beschrijving van het Bodetal

In 1654 gaf Merians topografie de volgende beschrijving van het Bodetal bij Thale: „ … tussen zulke bergen slingert zich met duizend bochten een zeer diep dal / en vormt dit alles tot zo’n ruwe / verschrikkelijke / en wilde plek / dat er in het hele Harzgebergte niets vergelijkbaars te vinden is / de huid huivert / het haar rijst te berge / voor wie er alleen maar naar beneden kijkt.“

August Ey beschrijft in zijn ‘Gids door de Harz’ van 1855 het Bodetal, afdalend vanaf de Roßtrappe, en formuleert zelfs een „tot hier en niet verder“, dat ook voor de wandelaar geldt, want er moeten plekken zijn waar de natuur voorrang heeft boven menselijke wensen: „Al snel zien we ons omringd door granieten muren zo hoog als torens, en het wilde, angstaanjagende bruisen van de Bode maakt onze oren doof. Beneden aangekomen keren we ons eerst een stukje stroomopwaarts langs de Bode, over de Duivelsbrug tot aan de waterval, waar de rotsen en de woedende golven ons streng toeroepen: ‘Tot hier en niet verder!’ De waterval, die Merian in de oudste beschrijving horribilem Bodae cataractam noemt, verdient deze naam niet langer om zichzelf, maar des te meer om zijn angstaanjagend wilde omgeving. De hoogte van zijn val bedraagt slechts 4 voet; vroeger was het meer dan 8 voet; maar omdat de rotsen die hem vormden het vlotten van hout belemmerden, werden ze in het jaar 1784 opgeblazen, wat des te meer te betreuren is omdat deze maatregel vrijwel geen nut had en kort daarop het houtvlotten op de Bode volledig werd stopgezet.“

Ter vergelijking

Adolf Hoeninghaus, In het Bodetal, 1836, olie op doek, 23,3 x 19,7 cm, Kunstpalast Düsseldorf (bruikleen van de Bondsrepubliek Duitsland), inv.nr. M 5592

Im Bodetal von Hoeninghaus
© Horst Kolberg

De Krefeldse koopmanszoon Adolf Hoeninghaus (1811-1882) studeerde van 1829 tot 1836 aan de Kunstacademie van Düsseldorf. Hij kan geïnspireerd zijn geweest door een reis naar de Harz en door dit schilderij van het Bodetal van Carl Friedrich Lessing, want die was de rijzende ster aan de Düsseldorfer schildershemel. Zijn schilderij lijkt zo sterk op dat van Lessing dat het lijkt alsof beide kunstenaars in 1836 naast elkaar hebben gezeten, net als de twee mannen in jachtkleding op dit schilderij. Hoeninghaus laat echter de Jungfernbrücke als menselijke toevoeging gewoon weg. Hij wil ons de mooie, ongerepte natuur tonen. Maar de kleding van de twee schilders verklapt wat we weten: achter hun rug wachten koffie en taart uit de banketbakkerij, en de paden hierheen zijn goed aangelegd.

Johann Poppel naar Ludwig Rohbock, De Jungfernbrug in het Bodetal, 1854, staalgravure, plaatformaat 24,2 x 17,7 cm, afbeeldingsformaat 15,6 x 12,0 cm, uitgegeven door Gustav Georg Lange in Darmstadt (1854) deel 11

 Die Jungfernbrücke im Bodetal von Rohbock
© Schloß Wernigerode GmbH

Uit de collecties van Schloss Wernigerode GmbH, collectie Bode

Ludwig Rohbock (1825-1893) heeft heel Duitsland doorkruist en ons nauwkeurig geobserveerde voorstellingen nagelaten, die hij met romantische middelen – hier een scherp licht-donker contrast en een beweeglijke hemel – in stemming bracht. Hij wilde laten zien dat bezoekers van het Bodetal wilde natuur, maar ook ontspanning in een herberg konden verwachten, en koos daarom het standpunt zo dat men het gasthuis kan zien.