Het motief
Onze locatie is het houtskoolbrandersmuseum bij het Stemberghaus, omdat het het zwarte ambacht laat zien dat tegenwoordig bijna volledig is uitgestorven.
Nog maar 250 jaar geleden werden op de hellingen van de dalen om de paar kilometer ronde plateaus geëffend, de houtskoolkuilen met smeulende meilers. Zo’n ding smeulde meer dan een week en onttrok driekwart van het water uit het hout. De kunst bestond erin dat het niet mocht branden. Doorslaggevend waren een uitgekiende bouwvorm en de regeling van de luchttoevoer, bijvoorbeeld door vaardige kinderen die lichtvoetig over de hete afdekking liepen. Wanneer het bos weer was aangegroeid, kwamen de houtskoolbranders hier opnieuw, omdat de afstanden naar de vele smeltovens kort moesten blijven. Daar had men voor het smelten van slechts 10 zilverdaalders (167 gram) 260 kilo houtskool nodig, gewonnen uit anderhalve kubieke meter beuken-, berken- of eikenhout. Een boom moest daarvoor minstens 40 jaar groeien. Nu hoef je alleen nog maar de miljoenen jaarlijks geproduceerde zilverdaalders daarmee te vermenigvuldigen.
In 1880 vond Wilhelm Nabert de laatste eenzame getuigenissen van het houtskoolbranden, de zogenaamde woonhutten of “Köten”. Op zijn schilderij is de Köte onbewoond; het gras groeit er al omheen. De sparren waren tot manshoogte afgezaagd. Het was dus niet meer nodig, zoals rond 1700, om alle stronken mee te verkolen. Het houtskoolbranden was op zijn retour, ook omdat de mijnbouw afnam. Dat is de tijd waarin schilders met weemoed de kunst van de zwarte gezellen als motief ontdekten. Het mooie beeld voert terug naar een tijd van steeds toenemende armoede in de Harz. Waar gingen de houtskoolbranders heen toen ze niet meer naar de volgende meiler trokken? Naar de steden, naar Amerika. Het einde van 3000 jaar mijnbouw in de Harz kondigt zich aan.