© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Houtskoolbranderij Stemberghaus

1880

Het motief

Onze locatie is het houtskoolbrandersmuseum bij het Stemberghaus, omdat het het zwarte ambacht laat zien dat tegenwoordig bijna volledig is uitgestorven.
Nog maar 250 jaar geleden werden op de hellingen van de dalen om de paar kilometer ronde plateaus geëffend, de houtskoolkuilen met smeulende meilers. Zo’n ding smeulde meer dan een week en onttrok driekwart van het water uit het hout. De kunst bestond erin dat het niet mocht branden. Doorslaggevend waren een uitgekiende bouwvorm en de regeling van de luchttoevoer, bijvoorbeeld door vaardige kinderen die lichtvoetig over de hete afdekking liepen. Wanneer het bos weer was aangegroeid, kwamen de houtskoolbranders hier opnieuw, omdat de afstanden naar de vele smeltovens kort moesten blijven. Daar had men voor het smelten van slechts 10 zilverdaalders (167 gram) 260 kilo houtskool nodig, gewonnen uit anderhalve kubieke meter beuken-, berken- of eikenhout. Een boom moest daarvoor minstens 40 jaar groeien. Nu hoef je alleen nog maar de miljoenen jaarlijks geproduceerde zilverdaalders daarmee te vermenigvuldigen.

In 1880 vond Wilhelm Nabert de laatste eenzame getuigenissen van het houtskoolbranden, de zogenaamde woonhutten of “Köten”. Op zijn schilderij is de Köte onbewoond; het gras groeit er al omheen. De sparren waren tot manshoogte afgezaagd. Het was dus niet meer nodig, zoals rond 1700, om alle stronken mee te verkolen. Het houtskoolbranden was op zijn retour, ook omdat de mijnbouw afnam. Dat is de tijd waarin schilders met weemoed de kunst van de zwarte gezellen als motief ontdekten. Het mooie beeld voert terug naar een tijd van steeds toenemende armoede in de Harz. Waar gingen de houtskoolbranders heen toen ze niet meer naar de volgende meiler trokken? Naar de steden, naar Amerika. Het einde van 3000 jaar mijnbouw in de Harz kondigt zich aan.

Stemberghaus, Nabert
© Schloß Wernigerode GmbH, Foto: KD
Wilhelm Nabert

Kunstenaar

1880

ontstaan

Olie op hardboard

49,0 x 66,0 cm

Schloss Wernigerode GmbH

Inv.nr. Ge 000141, te zien in de permanente tentoonstelling

Wandeltip

Direct bij het Stemberghaus loopt de zuidelijke route van de Harzer-Hexen-Stieg, hier bevindt zich weer een stempelplaats. In slechts één uur kun je ernaartoe wandelen: ofwel vanuit Hasselfelde via het Köhlerpad, dat onderweg veel interessante informatie over de houtskoolbranderij vertelt, of vanuit Altenbrak.

Over de kunstenaar

Wilhelm Nabert (1830-1904) behoort precies tot de generatie schilders die de verdwijnende houtskoolbrandershutten en meilers in de Harz opmerkte. Hij heeft dit onderwerp steeds opnieuw geschilderd. Omdat hij afkomstig was uit Braunschweig, dicht bij de Harz, heeft hij ze misschien al in zijn jeugd gezien. Na leerling te zijn geweest van de toen toonaangevende Braunschweigse landschapschilder Heinrich Brandes, vertrok hij naar Düsseldorf en Karlsruhe, omdat hij, net als velen, enthousiast was over Carl Friedrich Lessing. Hij reisde veel, tot in de Pyreneeën. Uiteindelijk keerde hij echter terug naar zijn Harz-landschappen en vestigde hij zich opnieuw in Düsseldorf. Zijn bos- en berglandschappen schilderde hij vlot en vaardig; ze zijn meestal bewolkt en ruw, wat typisch is voor de „weerkeuken” van de Harz, vooral aan de westkant.

Ter vergelijking

Robert Riefenstahl, Koolplaats, 1880, penseeltekening in bruin en wit, 83 x 107 cm, Hütte- en Techniekmuseum Ilsenburg, inv.nr. V 5388 K2 

Stemberghaus, Riefenstahl
© Hütten- und Technikmuseum Ilsenburg

Robert Riefenstahl toont ons een hondshaai met aan de linkerkant de houtskoolhut en rechts een meiler die net wordt opgebouwd. De bedekking van bladeren, twijgen en graszoden ontbreekt nog. Daarboven komt een mengsel van aarde en kolengruis (houtskoolstof). Er mag niets in het hout sijpelen. Rechts vooraan is een stapel hout te zien, inclusief wortelstronken. De verkoling lukt het best als de houtskoolbrander het hout een jaar heeft laten drogen.
De Ilsenburger Robert Riefenstahl (1823-1903) werd schilder onder invloed van Georg Heinrich en Elise Crola. Hij verzorgde de nalatenschap van beiden, die uiteindelijk toch verspreid raakte.

Carl Friedrich Lessing, Houtmeiler in het eikenbos, 1838, olie op doek, 77,5 x 93,5 cm, Kunstmuseum Basel, inv.nr. 410 

Stemberghaus, Lessing
© Kunstmuseum Basel

Soms herscheppen schilders de werkelijkheid wanneer ze een bepaald effect willen bereiken. We kennen de voorstudie van de kunstenaar, en daarin tekende hij beuken. Voor het schilderij veranderde hij die echter in eiken, omdat dat zulke typisch Duitse bomen zijn. Heel schilderachtig is ook de regenkap die boven de rookuitlaat van de hut is gevormd. De houtskoolbrand dient de schilder om een verhaal te vertellen: de blijkbaar deftige ruiter met de rode mantel vraagt naar de weg. De blootsvoetse jongen van de houtskoolbrand wijst in de richting waar in de verte een onweersbui opsteekt.