© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Marmermolen bij Rübeland

1765

Het motief

Deze locatie bij de marmermolen is tegenwoordig in vergetelheid geraakt. Maar wie vanuit het oosten naar de Brocken wilde gaan, en dat waren er velen, kon vanaf Wendefurth de paden langs de Bode volgen. Onvermijdelijk kwam men in Rübeland niet alleen langs de Baumann- en Bielstein-grot, maar kort daarvoor ook langs de marmergroeves en de marmermolen. Daarom zijn hier bijzonder oude, talrijke en mooie schilderachtige uitzichten te vinden. In 1855 staat er in de ‘Geleitsmann durch den Harz’: „Talrijke afbeeldingen bewijzen dat dit deel een geliefd punt is bij schilders.“

In de molen werd met waterkracht marmer gezaagd, geslepen en gepolijst en daarna met karren afgevoerd, de weg is daarvoor breed genoeg. Ofwel langs de Bode naar Rübeland, of via het Kreuztal naar Hüttenrode en verder naar Blankenburg. Het molengebouw is bewaard gebleven, al is het veranderd. Het staat daar waar het Kreuztal in het Bodetal uitmondt en de huidige B 242 een scherpe bocht maakt. Het vroegere boomvrije terrein rond de molen is door de natuur terugveroverd, half verborgen staat het gele bord van een Dennertanne dat het verhaal van de molen vertelt. Volgens dit bord was de molen van 1719 tot 1889 in bedrijf. Het marmer dat hier werd bewerkt, was van uitzonderlijke kwaliteit en werd zelfs in paleizen gebruikt.

Marmormuehle, Weitsch
© Historisches Museum Hannover
Pascha Johann Friedrich Weitsch

Kunstenaar

1765

ontstaan

op een bord van de porseleinfabriek Fürstenberg

Diameter 24,3 cm, hoogte van het uitzicht 4,2 cm

Historisch Museum Hannover

Inventarisnr. VM 028668

Wandeltip

De marmermolen ligt op slechts enkele meters van de Harzer-Hexen-Stieg, je hoeft alleen maar de Bode over te steken richting de B 245. Je kunt de Krockstein beklimmen of een rondwandeling maken naar Rübeland via het Blauwe Meer en genieten van het uitzicht vanaf de Schoorsteenvegersberg. (8 kilometer)

Uit een reisgids van 1855

In de reisgids van 1855 staat ook: „De weg van Rübeland naar Blankenburg volgt eerst het verloop van de Bode en is een van de aangenaamste die er bestaan. (…) Zo bereiken we de brug die bij de marmermolen over de Bode naar het Kreuzthal en naar het kleine Braunschweigse mijnwerkersdorp Neuwerk leidt. Vergeet niet even voor deze brug te stoppen om het schilderachtige uitzicht goed in je op te nemen dat de prachtige marmeren wand daarachter biedt, nog versterkt door het Düvalshuisje, een paviljoen dat door een hofsagent genaamd Düval op een van de rots topjes werd gebouwd, door de marmermolen aan de voet van de rotsen en door de lieflijke huisjes van het Kreuzthal die tussen de bomen aan de overkant van de oever tevoorschijn komen.“

Over de kunstenaar

Het verlaten landschap is een recente romantische uitvinding, en zelfs daarin ordenen de schilders het voor ons. In het werk van schilders uit eerdere eeuwen wordt zelfs de zogenaamde wildernis gekenmerkt door menselijke activiteit als een bewoonde plek, molens zijn daarbij dankbare motieven. Ook de Braunschweiger landschapsschilder Pascha Johann Friedrich Weitsch (1723–1803) stond in deze traditie. Zijn zeldzame voornaam is een verkorting van ‘Paschalis’, tegenwoordig bekend als Pascal, en betekent: degene die met Pasen is geboren.

Sinds 1756 was Weitsch in dienst als porseleinschilder in Fürstenberg en werkte daar twaalf jaar lang ook als opleider en kwaliteitscontroleur. Vanaf 1763 trok hij herhaaldelijk door de Harz en tekende vol enthousiasme; meer dan vijftig tekeningen zijn bewaard gebleven. Zijn onopvallende porseleinschildering uit 1765 was een sensatie. Gewoonlijk schilderden de hooggespecialiseerde porseleinschilders bloemen, dieren, decoraties of gecomponeerde landschappen uitsluitend naar voorbeelden. Voor het eerst in Duitsland liet een vorst zijn eigen lokale landschappen op zijn servies weergeven. Het opmerkelijke hierbij was dat het initiatief van de schilder zelf kwam. Het servies werd geproduceerd in de Porseleinfabriek van Fürstenberg in het hertogdom Brunswijk-Lüneburg. Natuurlijk ook omdat de Harz tot het hertogdom behoorde en op die manier op het porselein als bezit werd gepresenteerd. In 1768 kon Weitsch eindelijk van zijn schilderkunst leven en zijn baan in de porseleinfabriek opzeggen. Toen was hij 45 jaar oud.

Over de Rübelandse marmer uit een reisgids van 1824

Meer over het hier verwerkte marmer wordt verteld in de reisgids van Niemann uit 1824:
„Marmermolen, op meer dan een halve uur afstand van Rübeland, in een romantische omgeving, waar het ijzererts in de marmerachtige Krockstein verdwijnt en zichzelf ook in het marmer als nestjes vertoont. In het marmer, vooral in het bruinbonte, vindt men veel versteende schelpen en zeedieren, evenals vreemde natuurverschijnselen. Zo toont men op een roodmarmeren plaat: een vrouwfiguur die een spiegel in haar hand houdt; op een zwartgrijze plaat: een rennende hond en een zittende vogel; en op een bonte: de figuur van een spinster. Een waterrad brengt de zagen in beweging die het marmer in platen van verschillende grootte snijden, en op de bovenverdieping gebeurt het uithollen en bewerken met de beitel.“

Ter vergelijking

Pascha Johann Friedrich Weitsch, Uitzicht op de marmermolen, rond 1760, grafiet op velijn, 30 x 43,4 cm, Herzog Anton Ulrich-Museum Braunschweig, Z WB XII 61

Marmormuehle, Weitsch
© Herzog Anton Ulrich-Museum Braunschweig

Het is een vluchtige schets op vrij groot formaat papier, waarvoor ook geschikte mappen tijdens het wandelen moesten worden meegenomen. Weitsch behoort tot de eerste kunstenaars die de Harz systematisch al tekenend verkenden en ons zo waardevolle details nalieten, zoals die van de destijds al bestaande eenvoudige houten brug over de Bode. Tegenwoordig staat hier een stenen brug.

Karl Dietrich Pirscher, Marmermolen bij de Krockstein, rond 1828, lithografie, beeldformaat 27,4 x 36,5 cm, Herzog August Bibliotheek Wolfenbüttel, Top 18a:25

Marmormuehle, Pirscher
© Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel

Op dezelfde plek als Johann Friedrich Weitsch staat meer dan een halve eeuw later opnieuw een tekenaar uit Brunswijk, die ons een slechts weinig veranderd beeld nalaat. Karl Dietrich Pirscher (1791–1857) was klerk en hield zich dus bezig met afschrijfwerk. Tekenen en schilderen waren bij hem nevenactiviteiten. In 1820 introduceerde hij in Brunswijk de eerste lithopers voor formulieren, die hij enkele jaren later ook gebruikte voor artistieke voorstellingen, zoals zijn interessante gezichten op de Harz. De boekhandel van Schenck had zijn werken eerder in Berlijn moeten laten vervaardigen, omdat er in Brunswijk nog geen lithopers of in de lithografie ervaren tekenaars waren. Met Pirscher veranderde dat.