© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Mijn Güte des Herrn in Lautenthal

1853

Het motief

Onze locatie ligt op slechts een paar stappen aan de linkerkant van de huidige ingang van het Mijnbouwmuseum Lautenthal, aan de huidige Wildemanner Straße. Vanaf het trottoir zien we een gemetselde mond van de mijn Güte des Herrn. Sinds 1691 werd hier naar zilver, lood en kopererts gegraven.

Wilhelm Ripe’s afbeelding toont rechts een houten mijnmond, daarvoor een karrenloper die een praatje maakt met een mijnwerker. Zijn voorlader met de ongelijk grote wielen kan het erts boven uit het schachthuis halen en naar de ertsbreekmolens in het dal brengen, of ook hout naar de tunnel brengen om in de mijn te stutten. Links stroomt water over een houten goot en verdwijnt in de gevel van het radgebouw. Daarin bevindt zich een groot kunstwiel. De waterkracht daarvan drijft de houten stangen aan die op het schilderij in het schachthuis verdwijnen. Tegenwoordig kunnen we op het buitenterrein van het mijnbouwmuseum de goten, stangen of voorlader in originele staat bekijken.

Mijnbouw met mensen aan het werk is een zeldzaam onderwerp voor schilders. Daarvoor moest eerst zo’n bijzondere kunstenaar als Wilhelm Ripe komen. Hij toont ons de energievoorziening voor de mijnbouw en hoe het erts uit de mijnen kwam voor de smelthuizen. Hun schoorstenen roken achterin het dal van de Innerste.

Lautenthal, Ripe
©  Museumsverein Goslar
Wilhelm Ripe

Kunstenaar

1853

ontstaan

Lithografie

15 x 22,5 cm

Museumvereniging Goslar

1989

Wandeltip

Het mijnstadje Lautenthal, dat mooi omgeven wordt door bergen en bossen, is tegenwoordig een populaire vakantiebestemming. Het toerisme heeft de mijnbouw vervangen, waarvoor Lautenthal in 1538 was gesticht. In 1931 sloten de mijnen, en in 1966 sloot de laatste smelterij. Een verandering die vrijwel alle mijnsteden in het Oberharz hebben meegemaakt. In de omgeving van Lautenthal, vooral rond de Kranichberg, kom je zoveel spannende getuigenissen van de mijnbouwgeschiedenis tegen als waarschijnlijk nergens anders in de Harz in zo’n hoge dichtheid. Ze zijn uitstekend toegelicht. Of het nu langs de Lautenthaler Kunstgraben is of op de Kranichberg bij de Maaßener Gaipel, waar je absoluut van het uitzicht moet genieten (met restaurant).

Over de kunstenaar

Wilhelm Ripe (1818-1885) was geïnteresseerd in de mijnbouw, omdat hij zelf uit een arm gezin kwam en opgroeide tussen mijnwerkers en marskramersvrouwen. Hij beeldde de mijnbouw ook af, omdat die een aantrekkingspunt voor bezoekers van de Harz was geworden. Voor hen bereidde Wilhelm Ripe zijn schilderijen didactisch voor. Hij vergrootte de ruimte tussen dal en helling, zodat alles plaats had en de kopers van zijn lithografische prenten zich konden herinneren: de mijningang, het voorlaadwapen, het ertskanaal, het schachtgestänge, het schachthuis en het stuthout. Op Ripes schilderijen kijkt altijd iemand de toeschouwer aan en trekt hem mee in het beeldverhaal. Hier is dat de kruiwagenduwer.

Waar kwamen de vreemdelingen, de bezoekers van de Harz, vandaan? Ze kwamen uit de grote steden, waar het door de industrialisatie en de vele bewoners luidruchtig en smerig was geworden. Wie het zich kon veroorloven, nam een tweede woning voor de zomerfrisse berglucht. In Ripes tijd ging het bergafwaarts met de mijnbouw in de Harz, waar overigens ook de houtskoolbranders onder leden. Het groeiende toerisme ontkiemde toen als hoop voor de mensen van Lautenthal, vandaag is het werkelijkheid.

Ter vergelijking

Zicht op de mijn Güte des Herrn in Lautenthal, op de voorzijde van een opbrengsttaler, 1740, zilver, geslagen in Zellerfeld onder muntmeester Johann Benjamin Hecht, gewicht 23,47 g, privébezit

Lautenthal Münze, Privatbesitz
© Privatbesitz

Bijna 50 jaar lang had men de mijn Güte des Herrn ontgonnen, hier gewerkt en een ertsader gezocht zonder winst te maken. Dat noemt men in de mijnbouw de ‘Zubußezeit’. De mijnbouwadministratie van Oberharz moest met zulke lange perioden rekening houden, en men ervoer die tijd als boete, als een tijd van afstand doen. Eindelijk, in 1740, bracht deze mijn – een van ongeveer dertig in Lautenthal in die tijd – winst op. Vol trots sloeg men een opbrengsttaler met op de voorzijde de ingang van een mijngang en twee mijnwerkers bij een karretje, samen met de Bijbeltekst „De aarde is vol van de goedheid van de Heer“, die de mijn haar naam gaf. De drie alchemistische symbolen aan de hemel betekenen: de maan in het midden voor zilver, links koper, rechts lood.

Over de planeconomie van de mijnen

Om ook de nodige investeringen en bouwprojecten af te wegen, hadden de eigenaren in de Oberharz zich sinds 1788 verenigd in de staatseconomisch geleide Communion Harz. De mijnbouw was de bron van de rijkdom van de eigenaars, maar ook een enorme uitdaging voor langetermijnplanning. Villefosse beschreef het in zijn basiswerk uit 1822 als volgt: „Het is nooit het doel om speculanten te verrijken, maar ook nooit om hen te bedriegen (…) Het is nooit het doel om onmiddellijk aanzienlijke sommen aan de staatskas te leveren ... Het ware doel bestaat erin een groot aantal werken zonder subsidie te onderhouden, die in staat zijn jaarlijks een bedrag van een tot anderhalf miljoen taler op te brengen.“

Matthäus Merian naar Conrad Buno, Lautenthal vanuit het westen, 1654, kopergravure/ets, beeldformaat 14,2 x 38,1 cm, uit: Topografie van het hertogdom Brunswijk-Lüneburg, Frankfurt/Main 1564, Oberharzer Bergbaumuseum Clausthal-Zellerfeld

 Lautenthal, Buno
© Oberharzer Bergbaumuseum

Op deze afbeelding, 200 jaar vóór Wilhelm Ripe, zien we de zilversmelterijen van Lautenthal links op de voorgrond. Van rechts komt beneden de Innerste, halverwege de Kranichberg loopt een weg, naast welke de Lautenthaler Kunstdam lag, die al vanaf 1570 werd aangelegd. Voor de bouw ervan had men slechts 60 meter verval over een afstand van acht kilometer! En dat zonder computersimulatie. Interessant aan Merians gravure is dat het gebied aan de huidige Wildemanner Straße nog helemaal onontgonnen is. De eerste mijnopeningen, zoals de Tiefen Sachsenstollen die met de letter K is aangeduid, zijn echter al ingetekend. Diezelfde opening is vandaag de dag nog steeds te zien op het terrein van het mijnbouwmuseum.