© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Okerdal Wandelpad

1792

Het motief

Onze schildersplek in het granietrotsenland van het Okertal is dit keer niet makkelijk te vinden. Maar de rots is nog bewaard gebleven, en als je hem eenmaal hebt gevonden, is het vergelijken des te leuker. Als eerste helpt de stroomrichting van de Oker – we kijken stroomafwaarts. Bovendien ligt de rots niet meer direct in het water, want de Oker is een beetje verlegd. Nu ligt er grond voor de rots, en in plaats van de rivier is er een greppel voor een van de vele industriemolens in het dal. Het is het gebied van de Kahberg-klip, niet ver van de Marienwand, waar de grootste rotsen van het Okertal aan het water liggen. Een comfortabeler wandelpad loopt in dit gedeelte ook langs de weg, waardoor je natuurlijk het mooiste mist.

De soms hoekige en gelaagde, soms rond afgesleten granietrotsen vormden voor de eerste schilders de belangrijkste bezienswaardigheid in het dal. Met de aanleg van de chaussee, de twee herbergen als noord- en zuidpool van het dal en de waterval vanaf 1863 kwamen er steeds meer bezoekers. Met de chaussee begon echter ook de industrialisatie. Tegenwoordig is het dalpad een tocht langs oude molens en fabrieken, stuwconstructies en indrukwekkende kanaalbouwwerken, die deels hoog boven het wandelpad zijn aangelegd.

Okertal, Ganz
© Sammlung Bode, Hamburg
Johann Philipp Ganz

Kunstenaar

1792

ontstaan

Ingekleurde ets

Plaatgrootte 26 x 33,3 cm

Collectie Bode

Hamburg

Wandeltip

De langeafstandswandelroute Oostzee – Wachau – Adriatische Zee loopt hier door het Okertal. Je kunt uitstekend het dal één keer omhoog en daarna weer omlaag wandelen. (Per traject 1,5 uur) Geen angst voor verveling, want het dal verandert afhankelijk van de kijkrichting. Ongeveer om de twee uur rijdt er ook een bus.

Over de kunstenaar

Over Johann Philipp Ganz (1746-na 1800) zou een enthousiasteling eens onderzoek moeten doen! We kennen niet eens zijn exacte sterfdatum. We weten alleen dat hij uit Eisenach kwam, waarschijnlijk aan het kunstcentrum in Wenen heeft gestudeerd en in Hannover en Göttingen als schilder, etser en uitgever werkzaam was. Hij kreeg de titel van hofkopergraveur in Hannover, maar welke taken daarbij hoorden, weten we niet. Misschien verdiende hij zijn geld met portretten, die hij ook zelf graveerde. Zijn prenten zijn meestal klein. Hij leefde waarschijnlijk in de schaduw van de al oudere hofschilder Johann Georg Ziesenis jr., van Wilhelm Thielo jr., die sinds 1761 in Hannover werkte, of van Johann Heinrich Brandt. Al snel bepaalden de jongere kunstenaars Johann Heinrich Schröder en Johann Heinrich Ramberg, die in 1792 werd benoemd, de toon in Hannover. Maar de Harz-enthousiasme van Johann Friedrich Weitsch in het nabijgelegen Braunschweig, Christian Andreas Besemann en Johann Christian Eberlein uit Göttingen zal ook Ganz hebben bereikt. Misschien werd hij ook attent op de geologisch-artistieke verkenningen van von Trebra, Kraus en Goethe en wilde hij hier als uitgever aan meewerken?

Ganz begon zijn eerste reeks in 1785 met een afbeelding van de Schnarcherfelsen, waarbij zelfs een geologisch toelichtingsblad was gevoegd. Ons blad met de granietrots in de buurt van de Marienwand behoort tot de tweede reeks, die pas zeven jaar later verscheen. Ze omvatte drie bladen; de andere twee tonen gips en marmer, het ging hem dus ook hier weer om geologie.

Ter vergelijking

Georg Melchior Kraus, Marienwand met Duivelspreekstoel in het Okerdal, 2‑9‑1784, krijt op papier, 38,7 x 46,7 cm, Klassik Stiftung Weimar/Musea (bezit van Goethe), KHz/AK 2410 

 Okertal, Kraus
© Klassik Stiftung Weimar, Foto: Olaf Mokansky

Twee weken lang, in de eerste helft van september 1784, trokken Goethe en de schilder Georg Melchior Kraus langs uitgekozen kliffen en rotsformaties in de Harz. Op 2 september maakten ze in het Okertal ook tekeningen van de Ziegenrücken, de Treppenstein en de Schlafende Löwe. Terwijl Kraus zijn onderwerp meteen tot een schilderij ordent, rechts een boom als afbakening van het beeld plaatst en vooraan een rustende wandelaar, verdiept Goethe zich volledig in de structuur van de steen. Hij gebruikt maar weinig lijnen en toch verbaast de nauwkeurigheid van de weergave.

Johann Wolfgang von Goethe, Marienwand met Duivelspreekstoel in het Okerdal, 2-9-1784, krijt op papier, 19,7 x 32,9 cm, Klassik Stiftung Weimar/Musea (bezit van Goethe), Inv.-nr. GGz/0134 

Okertal, Goethe
© Klassik Stiftung Weimar, Foto: Papenfuss, Atelier für Gestaltung

“Bevrijd van de ketenen van het hof, in de vrijheid van de bergen”, zo beschreef Goethe zijn gevoel tijdens de twee weken in de Harz in 1784. Op 2 september maakte hij in het Okerdal ook tekeningen van de Geitenrug, de Trede‑steen en de slapende leeuw. Goethe verdiepte zich in de granietstructuur van de rots; een vergelijking met de andere voorstellingen toont zijn nauwkeurigheid. Zich in een object verdiepen en het tekenen is een proces dat helpt te begrijpen – in plaats van een foto te maken.