Het motief
Deze twee rotsen waren al vroeg fascinerend, enerzijds door hun opvallende dubbele torens, anderzijds door hun hoogte van bijna 30 meter. De grote Schnarcherklippe kun je vandaag de dag beklimmen. Goethe en de tekenaar Georg Melchior Kraus tekenden op 5 september 1784 de kleine Schnarcherklippe. Kraus tekende de wolzakverwering van het graniet heel zorgvuldig. Waar meer wind en regen inwerkten, is ook de verwering sterker. Goethe onderzocht ondertussen het gesteente van de grote rots en merkte op dat het graniet de magneetnaald van zijn kompas afboog; verbaasd noteerde hij dit in zijn geognostisch dagboek. Waar de afwijking het sterkst was, bracht hij kleine tekens op de rots aan.
Of de kleine Schnarcherklippe die dag werkelijk opvallende snurkklanken voortbracht, weten we niet. Daarvoor moet er een krachtige wind uit zuidoostelijke richting waaien. Maar in Faust verwerkte Goethe zijn herinnering aan het bezoek, want hier tussen Schierke en Elend situeerde hij zijn Walpurgisscène: „En de rotsen die zich buigen, / en de lange rotssneusjes, / hoe ze snurken, hoe ze blazen“.