© Fotoweberei & Schloß Wernigerode GmbH

Schnarcherklippen

1784

Het motief

Deze twee rotsen waren al vroeg fascinerend, enerzijds door hun opvallende dubbele torens, anderzijds door hun hoogte van bijna 30 meter. De grote Schnarcherklippe kun je vandaag de dag beklimmen. Goethe en de tekenaar Georg Melchior Kraus tekenden op 5 september 1784 de kleine Schnarcherklippe. Kraus tekende de wolzakverwering van het graniet heel zorgvuldig. Waar meer wind en regen inwerkten, is ook de verwering sterker. Goethe onderzocht ondertussen het gesteente van de grote rots en merkte op dat het graniet de magneetnaald van zijn kompas afboog; verbaasd noteerde hij dit in zijn geognostisch dagboek. Waar de afwijking het sterkst was, bracht hij kleine tekens op de rots aan.

Of de kleine Schnarcherklippe die dag werkelijk opvallende snurkklanken voortbracht, weten we niet. Daarvoor moet er een krachtige wind uit zuidoostelijke richting waaien. Maar in Faust verwerkte Goethe zijn herinnering aan het bezoek, want hier tussen Schierke en Elend situeerde hij zijn Walpurgisscène: „En de rotsen die zich buigen, / en de lange rotssneusjes, / hoe ze snurken, hoe ze blazen“.

Schnarcherklippen, Kraus
© Klassik Stiftung Weimar
Georg Melchior Kraus

Kunstenaar

5 september 1784

ontstaan

Tekening met zwarte krijt

48,7 x 39,3 cm

Klassik Stiftung Weimar/Musea (Goethes bezit)

Inventarisnr. KHz/AK 3215

Wandeltip

De wandeling van Schierke naar de Schnarcherklippen duurt iets meer dan een half uur. De rotsen liggen direct aan de Teufelsstieg. In de buurt van de klippen bevindt zich ook een stempelplaats van de Harzer Wandernadel. Vanaf de grote Schnarcherklippe heb je een mooi uitzicht over de Wurmberg en de Brocken.

Over de kunstenaar

De wereldwijze Georg Melchior Kraus (1737-1806), opgeleid in Kassel en Parijs, kende de jonge Goethe al uit zijn geboortestad Frankfurt am Main. Hij vond Kraus de aangenaamste gezel. Dus een ideale kunstenaar voor Weimar — maar het was niet Goethe die hem daarheen haalde, maar Friedrich Justin Bertuch. Bertuch was in Weimar uitgever en zakenman, Kraus de illustrator en nauwkeurige waarnemer. Samen vormden ze een sterk team en bepaalden ze met hun „Journal des Luxus und der Moden“ en hun „Bilderbuch für die Jugend“ in de decennia vóór 1800 de smaak van een hele generatie. Beiden stelden in 1776 aan de jonge hertog Carl August voor om in Weimar een „Vrije Tekenschool“ op te richten, die gratis toegankelijk moest zijn voor iedereen en de opleiding van ambachtslieden moest verbeteren. Kraus bleef tot aan zijn dood de directeur; Goethe was erbij als toezichthouder, leraar, maar ook als leerling in tekenen. Ook dat was een succesvol project.

Goethe wist dat alleen Georg Melchior Kraus zijn wensen voor een beeldende verduidelijking van zijn geologische speculaties kon vervullen. De Harzreis van 8 augustus tot 14 september maakten ze samen, waarbij Goethe tussendoor hofplichten moest vervullen en Kraus in de Harz achterliet.

Ter vergelijking

Georg Melchior Kraus naar Friedrich Hieronymus Spörer, De twee Schnarcherklippen, 1785, titelblad uit: Friedrich Wilhelm Heinrich von Trebra: Ervaringen uit het binnenste van de bergen (1785), 

Schnarcherklippen, Spörer
© Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel

gekleurd etswerk, Herzog August Bibliotheek Wolfenbüttel, Inv.-Nr. M: Nf 2° 3 

De auteur van dit boek was de Clausthalse mijnraad Friedrich Wilhelm Heinrich von Trebra. Hij was een vriend en adviseur van Goethe op het gebied van mijnbouw en geologie. Maar waarom staat er op het titelblad een door Georg Melchior Kraus geëtste afbeelding naar een tekening van een mijnwerker? Dat verklapt een brief die Kraus destijds uit Zellerfeld aan zijn vriend Bertuch in Weimar schreef: „Onze reis verloopt goed en gelukkig, alleen een beetje langzamer dan we dachten. Twee volle weken woonde ik in Zellerfeld bij onze lieve vriend de heer von Trebra, waar ik het erg naar mijn zin had, vooral de laatste week, toen ik alleen was. Overdag verbleef ik bij rotsen en klippen, at ik mijn middagmaal (dat ik altijd in mijn reistas bij me droeg) in de bossen, en 's avonds keerde ik vrolijk terug naar mijn geliefde onderkomen en nam meestal een stuk rots – getekend – in mijn map mee. In de Harz zijn prachtige onderwerpen om te tekenen, alleen liggen ze wat ver uit elkaar en zijn ze lastig te bereiken. Waar ik met paarden kan komen, rijd ik heen, en andere bereik ik door te klimmen en te klauteren.” Je kunt wel raden waarom juist Kraus het titelblad voor Trebra het jaar daarop maakte? Een bedankje dus voor diens gastvrijheid en de lekkere middagmaaltjes. Dan dring je je niet op met je eigen tekeningen, als een collega van de gastheer ook iets heeft getekend.

Georg Heinrich Crola, Schnarcherklippen bij Schierke met de Brocken op de achtergrond, 1843, aquarel, 28,2 x 38,3 cm, gemerkt rechtsonder „Schierke. 1843 Crola“, Kulturstiftung Wernigerode 

 Schnarcherklippen, Crola
© Kulturstiftung Wernigerode

Bijna 60 jaar na Goethes bezoek heeft Georg Heinrich Crola beide Schnarcherklippen in een aquarel weergegeven. Hij toont de omgeving kaalgekapt en leeg. Een houtskoolbrandershut in de beschutting van de kleine Schnarcher laat zien waarom dat zo was. De natuur is voortdurend in verandering, en de blik van schilders helpt ons dat te beseffen. Ook nu kun je gemakkelijk zelf de plaats bepalen waar de schilder stond. Valt het je op dat de schilder de twee rotsen een beetje naar elkaar heeft gedraaid? Zodat ze als twee wezens naar elkaar toe lijken te buigen.